:: wikimiki.org ::
| Refractie |
RefractieBreking van licht of refractie houdt in dat lichtstralen gebroken worden als ze een grens overgaan tussen media van verschillende optisch dichtheid.
De verandering in richting wordt bepaald door de optische dichtheid of brekingsindex van elk medium waar de lichtbundel doorheen loopt en door de invalshoek waaronder de bundel het grensvlak treft.
De wet van Snellius beschrijft het verband tussen de invalshoek en uitgangshoek.
Voor verschillende golflengtes (dus kleuren) licht is de breking meestal ook verschillend, hierdoor wordt bijv. in een prisma een lichtbundel gebroken (opgesplitst) in bundels verschillende kleuren, dus in licht met verschillende frequenties. Dit verschijnsel wordt dispersie of kleurschifting genoemd en is de oorzaak van chromatische aberratie in lenzen.
Een bekend voorbeeld: als het regent terwijl de zon schijnt worden de lichtstralen van de zon gebroken door de regendruppels. Als je met de rug naar de zon staat zie je vóór je een regenboog.
Categorie:Optica
ja:屈折
Medium (natuurkunde)Een medium is in de natuurkunde een drager van materie of golven.
Een voorbeeld van een medium als materiedrager is een vloeistof om vaste stoffen in op te lossen om daarna ergens op aan te brengen (bijvoorbeeld verf of vernis).
Een voorbeeld van een medium als golfdrager is water waarin golven zich voortplanten, of lucht waarin geluid zich voorplant.
Categorie:Natuurkunde
Brekingsindexright
Wanneer een lichtbundel een doorzichtig medium binnentreedt is er volgens de Wet van Snellius een constante verhouding tussen de sinus van de hoek van inval θ1 en de sinus van de brekingshoek θ2. Deze constante verhouding wordt de brekingsindex n van die stof genoemd. De brekingsindex is gelijk aan de verhouding van de lichtsnelheid in vacuüm en de lichtsnelheid in die stof.
:.
De brekingsindex van een materiaal is verschillend voor licht van verschillende golflengtes, dus met verschillende kleuren. Als gevolg daarvan treedt kleurschifting op: het licht valt na breking uiteen in een spectrum van de samenstellende kleuren. Als het licht door een vlakke plaat valt, bijvoorbeeld een glazen ruit, treedt het tweemaal gebroken licht weliswaar weer uit onder dezelfde hoek als waarmee het inviel, maar is toch iedere lichtstraal uiteengevallen. De kleursschifting is daarom maar gering, en voornamelijk te zien aan de randen van voorwerpen. Dit is in de figuur aangegeven. Als het licht door een voorwerp straalt dat niet twee parallelle zijden heeft, zoals door een prisma, treden de verschillende kleuren door het verschil in brekingsindex onder verschillende hoeken uit en wordt het kleuren spectrum duidelijk zichtbaar. Het verschil in brekingsindex is de oorzaak van chromatische aberratie, een bekende fout van lenzen, en ook de oorzaak van de regenboog, door de retrofractie van het zonlicht in kleine regendruppels en ijskristallen.
zie ook: Lijst_van_brekingsindices
Categorie:Optica
ja:屈折率
th:ดรรชนีหักเห
Wet van SnelliusDe Wet van Snellius is een natuurwet uit de optica die aangeeft hoe lichtstralen gebroken worden op de overgang van het ene medium naar het andere (bijv. lucht en glas) en geeft daarmee een definitie voor de brekingsindex n. Het scheidingsoppervlak tussen 2 media waarvan de brekingsindex verschillend is, noemt men een diopter.
De wet is genoemd naar de Nederlandse wis- en sterrenkundige Willebrord Snell.
Deze wet is een gevolg van het principe van Fermat.
principe van Fermat
Wanneer een lichtstraal in een medium met optische dichtheid n1 onder een hoek θ1 invalt in een medium met optische dichtheid n2, zal voor de uittreedhoek θ2 ten gevolge van de breking t.o.v. de normaal die op het grensvlak tussen de twee media optreedt, gelden:
:
Toepassing
Een toepassing van de Wet van Snellius is het feit dat men de zon altijd in een hogere stand ziet dan haar werkelijke positie. Op die manier kan men bij zonsondergang nog altijd de zon zien. Dit is te verklaren op de volgende manier. De atmosfeer is in feite geen homogeen medium; de soortelijke massa daalt als de hoogte toeneemt en men kan aantonen dat de brekingsindex een stijgende functie is van de soortelijke massa, dus op grotere hoogte heeft men een kleinere brekingsindex. Het gevolg daarvan is dat de zonnestralen gekromde stralen zijn die gekromd zijn naar de hoogste waarde van n toe. Men kan de kromming van de zonnestralen ook terugvinden door de atmosfeer in te delen in opeenvolgende homogene luchtlagen en de Wet van Snellius toe te passen op ieder diopter tussen 2 opeenvolgende lagen.
Een andere toepassing van de wet is bij akoestische metingen onder water (zie hydrografie). Licht of elektromagnetische golven dringen maar zeer slecht door in het water, vandaar de keuze voor geluid. Een gemiddelde geluidssnelheid van ongeveer 1500 m/s varieert met +/- 6% als gevolg van variaties van temperatuur en zoutgehalte. Als er veel regen valt, dan stroomt er veel zoet water in zee, en zal de geluidssnelheid aan het zeeoppervlak lager zijn dan bij droog weer. Daarna treedt al gauw weer menging op. Er treedt een zekere horizontale gelaagdheid op van lagen met min of meer gelijke geluidssnelheid. Als een geluidsignaal schuin door deze lagen loopt, treedt er breking op volgens de wet van Snellius. Om afstanden en hoeken juist te schatten, dienen de metingen hiervoor gecorrigeerd te worden.
Intuïtief
right
De snelheid in het glas en de lucht is niet gelijk. Het principe van Fermat stelt dat de licht de kortste route neemt.
Vergelijk het met twee zwemmers die zo snel mogelijk een boei in zee moeten bereiken. Iemand die snel op het strand is, maar in het water trager dan zijn concurrent, zal zoveel mogelijk afstand op het strand afleggen (strategie 2). De zwemmer die het snelst zwemt, maar trager is op het strand, legt zo weinig mogelijk afstand op het strand af (strategie 1).
De voor iedere loper snelste baan (afh. van de snelheid op het strand en in de zee) voldoet aan de wet van Snellius.
Externe links
- [http://lerweb.khlim.be/~infav/breking/22wet2.htm wet van snellius]
- [http://physics.rug.ac.be/fysica/applets/snellius/ java appet UGent]
Categorie:Optica
ja:スネルの法則
GolflengteDe golflengte (symbool: λ) van een periodiek verschijnsel is, zoals de naam al aangeeft, de lengte van een golf. Dus de afstand tussen twee opeenvolgende punten met dezelfde fase, zoals de toppen van een sinusvormige golf.
Er is een directe relatie tussen de golflengte λ (in m) en de frequentie f (in Hz):
daarin is v de snelheid van de golf (in m/s) in het betrokken
medium.
In de radiotechniek wordt het begrip golflengte ook wel gebruikt als alternatief voor de freqentie van een radiosignaal. Dit komt terug in het gebruik van begrippen als kortegolf, middengolf en langegolf als aanduiding voor de frequentieband.
----
Zie ook geluidssnelheid, lichtsnelheid.
Categorie:Optica
Categorie:Akoestiek
Categorie:Elektronica
ja:波長
ko:파장
th:ความยาวคลื่น
Prisma (optica)Categorie:Optica
Categorie:Optica
Vaak wordt met prisma in de natuurkunde een driehoekig prisma bedoeld, gemaakt van een transparant materiaal (bijvoorbeeld glas). Zo'n vorm wordt in de spectraalanalyse gebruikt om licht van verschillende golflengten in verschillende richtingen af te buigen (dit gebeurt omdat de brekingsindex van het materiaal afhankelijk is van de golflengte) om zo eenvoudig het spectrum te kunnen bekijken.
Een alternatieve manier om een spectrum te maken is met hulp van een tralie.
ja:プリズム
Kleur
Kleur nemen wij waar wanneer elektromagnetische straling met een golflengte tussen 750 en 400 nanometer ons oog bereikt.
De term kleur wordt ook gebruikt voor de eigenschap van voorwerpen die door een weerkaatsing van een gedeelte van het elektromagnetische spectrum deze interactie veroorzaken.
Voor kleur in de muzikale betekenis ("klankkleur"), zie timbre.
Natuurkundige aspecten
Elektromagnetische straling kan verschillen in golflengte en intensiteit. Het zonlicht bestaat uit een mengsel van straling van verschillende golflengtes.
Wanneer deze straling een golflengte binnen de voor mensen waarneembare grens heeft (ongeveer van 380 tot 740 nm) wordt deze straling licht genoemd.
Het spectrum van het licht wordt bepaald door de intensiteit van de verschillende golflengten.
Het volledige spectrum van het binnenkomende licht bij een voorwerp bepaalt het visuele voorkomen van het voorwerp, inclusief de kleurwaarneming.
Een oppervlak dat alle golflengten volledig absorbeert, wordt zwart genoemd, een voorwerp dat alle golflengten in gelijke mate weerkaatst, wordt wit genoemd.
De bekende regenboog toont een spectrum -- zo door Isaac Newton in 1666 genoemd naar het Latijnse woord voor beeld -- en bevat alle kleuren die uit een enkele golflengte van zichtbaar licht bestaan, het pure spectrum of de monochromatische kleuren:
De hierboven weergegeven tabel moet niet als uitputtend worden beschouwd, het spectrum van kleuren is continu. In hoeveel kleuren het wordt opgedeeld is afhankelijk van een combinatie van biopsychologische en culturele factoren. Alle talen die überhaupt kleurnamen hebben (sommige culturen benoemen kleuren niet), duiden daar in ieder geval sommige van de objectieve primaire kleuren of secundaire kleuren mee aan. De zeven traditioneel genoemde kleuren in onze streken, worden gemakkelijk onthouden via het volgende ezelsbruggetje: het letterwoord ROGGBIV staat voor in volgorde: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet.
Naast de bovengenoemde spectrale kleuren is er een extraspectrale primaire kleur: magenta, de extraspectrale sector van de kleurencirkel omvat de roze en paarse tinten.
Er zijn zeer veel kleuren die een eigen naam gekregen hebben. Zie hiervoor de lijst van kleuren.
Ook zal de intensiteit van een kleur van invloed zijn op de waarneming, bijvoorbeeld, een lage intensiteit oranje zal als bruin worden ervaren.
Fysiologische aspecten
Het onderscheiden van kleuren wordt mogelijk gemaakt door drie verschillende typen lichtgevoelige cellen in het netvlies, kegeltjes genoemd.
Deze kegeltjes zijn vooral goed vertegenwoordigd in de gele vlek, een gebied diametraal tegenover het midden van de lens van het oog. Daar is onze gezichtsscherpte dan ook het grootst ('oplossend vermogen': 1 boogminuut).
Elk type kegeltje bevat een ander kleurpigment en heeft daardoor een eigen gevoeligheids-maximum. De krommen die de gevoeligheid van de kegeltjes over het spectrum beschrijven, overlappen elkaar wel grotendeels, zie onderstaande figuur.
Afbeelding:Spectrale_gevoeligheid_kegeltjes.png
In de buurt van de toppen van de gevoeligheidskrommen kunnen mensen kleuren van elkaar onderscheiden die slechts 1 nm in golflengte van elkaar verschillen.
In totaal kunnen we tussen de 120 en 160 zuivere kleuren van elkaar onderscheiden, mits we ze naast elkaar kunnen zien.
Zonder vergelijkingsmateriaal kunnen we slechts 10 tot 14 kleuren herkennen (uit de literatuur is niet duidelijk of grijsachtige en 'donkere' kleuren daar bij inbegrepen zijn).
Naast de tint, een ééndimensionale grootheid die we de 'kleuren van de regenboog' noemen, kunnen we nog andere grootheden onderscheiden,
namelijk de verzadiging (het tegendeel van grijsheid) en de intensiteit (lichtheid).
De tint wordt bepaald door overheersing van de indruk van een of twee van de drie soorten kegeltjes. Als de indrukken gelijk zijn, nemen we wit of grijs waar, al naar gelang de intensiteit. Bij overheersing van 'L' ervaren we rood; als 'L en 'M' even sterk zijn geel; bij overheersing van 'M' groen; als 'M' en 'S' even sterk zijn cyaan; bij overheersing van 'S' blauw. Daarmee hebben we de spectrale kleuren, alle kleuren van de regenboog, gehad. We kunnen hieraan het geval toevoegen dat 'S' en 'L' even sterk zijn, waarmee we de kleurencirkel rond hebben gemaakt met de extraspectrale kleur magenta die nuances van roze en paars omvat.
Hoezeer 'kleur' subjectief van karakter is, blijkt wel uit het verschijnsel kleurenblindheid, het niet goed of geheel niet functioneren van één of meer typen kegeltjes.
De meest voorkomende vorm van kleurenblindheid is het niet werken van de 'L'-kegeltjes.
Mensen die dit hebben zien twee basistinten met verschillende intensiteit en verzadiging: rood is dan een donkere kleur en blauwgroen is grijs.
Ergonomische aspecten
Ondanks de hoge beeldscherpte binnen de gele vlek, 1 boogminuut, hebben we aanzienlijk meer beeldpunten nodig om de kleur te herkennen. Het oplossend vermogen voor het waarnemen van kleur komt daarmee op maar liefst 25 boogminuten. Dit komt doordat de kegelstjes verder uit elkaar staan dan de staafjes die lichtintensiteit waarnemen.
Als vele stippen met verschillende kleur dicht genoeg naast elkaar gezet worden, nemen we een enkele 'gemiddelde' kleur waar. Dit effect wordt gebruikt in de schilderkunst (zie Pointillisme) en in druktechnieken rasteren van kleurenfoto's e.d..
Psychologische aspecten
Vermelden dat kleuren ook psychologische aspecten hebben, is het intrappen van een open deur. De psychologische betekenis van kleuren is voor een deel zelfs universeel: rood wordt overal geassocieerd met gevaar, liefde en oorlog (verbanden daartussen te zoeken, lijkt een hachelijke onderneming). Maar ook kleuren als blauw en wit roepen internationaal ongeveer dezelfde associaties op. Ze komen dan ook verrassend vaak voor in nationale vlaggen. Hoewel vergelijkend psychologisch onderzoek de universaliteit van dit soort oordelen heeft aangetoond, is het nog onduidelijk hoe dit geïnterpreteerd moet worden. Binnen de filosofie strijdt men erover of er sprake is van willekeurige contingente associaties of een noodzakelijk synthetisch verband.
Een ander (perceptie)psychologisch aspect is het nabeeld dat ontstaat, wanneer men (intensief) naar een kleur kijkt of heeft gekeken. Het nabeeld vertoont de complementaire kleur: rood-cyaan, geel-blauw etc. en omgekeerd. Het nabeeld is het duidelijkst te zien wanneer men de ogen sluit, of wanneer men naar een wit vlak kijkt.
Er zijn wetenschappers, die ervan uitgaan dat op zeer jonge kinderen het (innerlijke) nabeeld meer indruk maakt dan de (uiterlijke) kleurervaring. Zij beweren dat zeer jonge kinderen juist van rood rustig worden, omdat het complementaire groen door hen sterker wordt waargenomen.
Kleurenleer volgens Goethe
Johann Wolfgang von Goethe wijdde een groot deel van zijn leven aan de bestudering van kleuren en andere natuurwetenschappelijke verschijnselen. Hoewel Goethe vooral als dichter bekend is geworden, zag hij zelf zijn natuurwetenschappelijke werk als zijn grootste verdienste. Tegen zijn vriend en medewerker Johann Peter Eckermann zei Goethe aan het einde van zijn leven: Auf Alles was ich als Poet geleistet habe, bilde ich mir gar nichts ein. [...] Daß ich aber in meinem Jahrhundert in der schwierigen Wissenschaft der Farbenlehre der Einzige bin, der das Rechte weiß, darauf tue ich mir etwas zu gute. (19 februari 1829). Ook sprak hij: Es gereut mich auch keineswegs daß [ich die Farbenlehre geschrieben]; obgleich ich die Mühe eines halben Lebens hinein gesteckt habe. Ich hätte vielleicht ein halb Dutzend Trauerspiele mehr geschrieben, das ist alles und dazu werden sich noch Leute genug nach mir finden. (1 februari 1827). Toch hadden en hebben weinigen waardering voor Goethes natuurwetenschappelijke werk, hoewel sommige moderne natuurwetenschappers (o.a. Henri Bortoft en Reinhold Sölch) weer meer begrip voor Goethes kleurenleer krijgen.
Een verklaring voor het vele onbegrip kan zijn, dat men Goethes kleurenleer vanuit zuiver fysisch oogpunt benadert. Goethes methode wijkt echter af van de hedendaagse empirische wetenschappelijke benadering, in die zin dat hij de dingen niet waarnam als uiterlijk verschijnsel, maar als fenomeen, dus als het geheel van uiterlijk verschijnsel en innerlijk wezen. In zijn autobiografische roman "Dichtung und Wahrheit" maakt Goethe ons meermalen attent op zijn bijzondere waarnemingsvermogen.
Volgens Goethe zijn er twee basiskleuren: blauw en geel. Blauw ontstaat door de aanschouwing van donker door het licht heen, zoals we overdag de hemel zien ('s nachts is die zwart, maar als de atmosfeer door zonlicht wordt verlicht, nemen we de hemel als blauw waar). Andersom ontstaat geel door de aanschouwing van licht door het donker heen, zoals we het zonlicht waarnemen vanuit de relatief donkere atmosfeer. Deze beide kleuren zijn oerfenomemen: fenomenen die niet tot andere fenomenen te herleiden zijn. Experimenteel kwam Goethe tot de conclusie, dat kleuren ontstaan door de wisselwerking van licht en donker, of anders gezegd: door vertroebeling van (wit) licht. Op dit punt komt de tegenstelling met Isaac Newtons kleurenleer duidelijk naar voren: Newton verklaarde de kleuren aan de hand van de zgn. Newtonschijf door de verschillende golflengten. Newton beschouwde wit licht als een combinatie van licht van alle golflengten (binnen de band van waarneembare straling). Volgens Goethe was er niets zo heel als wit licht.
Vanuit de polariteit blauw-geel kunnen de andere kleuren worden verklaard, als er het principe van de
intensivering ("Steigerung") bij wordt betrokken. Bij een intensivering van zowel blauw als geel, verschijnt er de kleur rood doorheen. Rot nehmen wir also vorerst als keine eigene Farbe an, sondern kennen es als eine Eigenschaft, welche den Gelben und Blauen zukommen kann. Rot steht weder dem Blauen als dem Gelben entgegen; es entsteht vielmehrs aus ihnen; es ist ein Zustand, in den sie versetzt werden können, und zwar wie wir hier vorläufig sehen, durch Verdichtung und durch Aufeinander drängung der Teile. Geel verandert door intensivering in oranje-rood en uit blauw wordt violet. De geelachtige ('warme') kleuren en de blauwachtige ('koude') kleuren worden in een kleurencirkel verbonden door groen en magenta (door Goethe Purpur genoemd).
Kleur en cultuur
Het manier waarop men kleuren definiëert is niet objectief doch cultuurafhankelijk. Europeanen kunnen het raar vinden dat in China en Japan geen onderscheid gemaakt wordt tussen groen en blauw. Maar voor Russen is het evenwel raar dat in West-Europa lichtblauw (hemelkleur) en donkerblauw (blauwe strepen op een politieauto) als eenzelfde kleur worden gezien.
Enkele kleuren
rood, oranje, geel, groen, cyaan, blauw, indigo, violet, zwart, wit, grijs, bruin
Externe link
- [http://kleur.pagina.nl kleur.pagina.nl] Overzicht van websites over kleur
Categorie:Kleur
Categorie:Straling
Categorie:Licht
ja:色
ko:색
simple:Color
Dispersie
Dispersie of kleurschifting is het verschijnsel dat de brekingsindex van een materiaal niet voor alle kleuren licht hetzelfde is. Door dispersie valt het licht uitéén in de kleuren van de regenboog als het bijvoorbeeld door een prisma valt.
Dispersie is de oorzaak van chromatische aberratie in lenzen. Het effect van dispersie kan (gedeeltelijk) tegengegaan worden door materialen met verschillende dispersie te combineren. Als de dispersie voor twee kleuren (meestal geel en blauw) gecorrigeerd is noemt men zo'n lens een achromaat, als de correctie voor meer kleuren is toegepast noemt men zo'n lens een apochromaat. In deze laatste zijn vaak speciale glassoorten met lage dispersie (LD of ED glas) toegepast.
Categorie:optica
Chromatische aberratieChromatische aberratie is een optische fout van lenzen en lenzensystemen die ontstaat doordat licht van verschillende golflengten door de lens niet op dezelfde manier wordt afgebogen.
Wanneer licht door een lens gaat, komt het samen in het brandpunt. Omdat niet elke kleur in hetzelfde brandpunt samenkomt kunnen niet alle kleuren scherp afgebeeld worden. Op de afbeelding wordt dit zichtbaar als verkleuring langs scherpe randen. Dit effect is vaak erger aan de randen van het beeld dan in het centrum doordat de vorm van de afbeelding van een punt daar niet gecentreerd rond dat punt ligt.
Door samengestelde lenzen te maken van lenzen met een tegengestelde chromatische aberratie waarvan de afwijking van de ene die van de andere tegengaat is het mogelijk lenssystemen te maken die de afwijking nauwelijks vertonen. Voor de corrigerende lens wordt glas met een hoge brekingsindex en een lage Abbe-waarde (getal van Abbe?) (flintglas) gebruikt. Een composietlens die de beelden voor twee kleuren corrigeert heet een 'achromaat' en een die voor meer kleuren corrigeert heet een 'apochromaat'. Vaak worden in apochromaten duurdere glassoorten gebruikt, waardoor ze meer kosten dan achromaten.
Paars ligt het verst van de kleur waar vaak op scherpgesteld wordt, waardoor het de grootste fout heeft. Daarnaast zijn de meeste scherpe contrasten die van een object voor de hemel, waarbij de hemel veel paars bevat. Hierdoor wordt chromatische aberratie vaak zichtbaar als paarse randen, waardoor in het engels vaak de term purple fringing gebruikt wordt.
Het fenomeen kan ook waargenomen worden als licht door een raam valt op een zonnige dag. Schaduwen van het raamkozijn hebben dikwijls een "paarse rand" of een andere kleur die iets lichter rond de schaduw ligt.
Hieronder een voorbeeld van enkele (ongecorrigeerde) lens. Het beeld ernaast toont hoe de afbeelding eruit zou zien als het projectievlak op het brandpunt van groen zou staan. De groene component is scherp, terwijl de rode en blauwe component verre van scherp zijn.
Afbeelding:Chromatic aberration.png Afbeelding:Chromatic aberration effect.png
Zie ook
- sferische aberratie
categorie:Optica
Regenboog
Een regenboog ontstaat wanneer een (laagstaande) zon tegen een waternevel aanschijnt. Het verschijnsel doet zich voor als een spectrum van de basiskleuren die in elkaar overlopen en ziet eruit als een grote boog aan de hemel met zijn middelpunt recht tegenover de zon en een straal van ongeveer 42 graden. De kleuren zijn van buiten naar binnen: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Is de waterdamp of druppels intensief en het licht sterk dan ontstaat soms een tweede boog op 50 graden met de kleuren in tegengestelde volgorde. Ook maanlicht kan een regenboog veroorzaken.
De regenboog is rond doordat er ten opzichte van een willekeurige waarnemer een denkbeeldige cirkel is waarvan in elk punt de lijn van het invallende zonlicht en de gezichtslijn van de waarnemer zich in een hoek van 42 graden snijden (en de refractiekegel van iedere ronde waterdruppel dus mede een lichtstraal in zijn richting zendt). De boog kan ook in een fontein of in het water uit een tuinslang zichtbaar zijn. De regenboog is altijd tegenover de zon te zien, de zon in de rug dus. In feite staat de waarnemer met de zon en het middelpunt van de regenboog op één lijn. De plaats van de regenboog is voor iedere waarnemer dus verschillend.
Afhankelijk van de omstandigheden, kan de intensiteit van de kleuren van de regenboog onderling nogal verschillen, evenals de breedte van de kleurbanden. De kleurintensiteit en de breedte van de boog zijn afhankelijk van de grootte van de regendruppels. Hoe groter de druppels, des te smaller de regenboog, maar ook des te sterker de kleuren in het algemeen zijn.
maan
De grootste regenbogen zijn 's ochtends vroeg of aan het einde van de middag te zien, wanneer de zon laag staat. Hoe lager de zon aan de hemel, hoe meer van de regenboog te zien is. Bij laagstaande zon is de regenboog een halve cirkel. Vanuit een vliegtuig kunnen we zelfs een volledige cirkel zien. Overdag, wanneer de zon hoger aan de hemel staat, zien we hooguit een deel van de boog. Hoe hoger de zon des te lager staat de regenboog en des te kleiner de cirkelboog die boven de horizon uitsteekt. Vaak zien we slechts stukken van de boog, omdat zich niet overal waar de regenboog zich zou kunnen voordoen, druppels bevinden.
Af en toe herhalen de kleuren van de regenboog zich aan de binnenkant; de boog lijkt dan in meerdere smalle bogen opgesplitst. Soms zien we door dubbele terugkaatsing van zonlicht in druppels buiten de gewone regenboog nog een tweede zwakkere bijregenboog. De kleuren staan in omgekeerde volgorde van de hoofdboog. De bijboog staat een eindje buiten de gewone boog. Tussen de beide bogen is de hemel donker, de "band van Alexander" genoemd naar de Griekse filosoof Alexander van Aphrodisias (rond 200 n. Chr) die dit verschijnsel als eerste beschreef.
Bij een glad wateroppervlak kan soms een extra boog ontstaan, de spiegelboog. Die ontstaat omdat het spiegelbeeld van de zon voor een extra regenboog aan de hemel zorgt. Ook bij volle maan zien we soms een regenboog verschijnen. Deze boog lijkt kleurloos, maar dat komt omdat ons oog bij nacht vrijwel kleurenblind is. Op een kleurendia van de maanboog zijn de kleuren wel degelijk te zien.
Trivia
Volgens een legende staat er aan het einde van de regenboog een pot met goud. Aangezien een regenboog geen einde heeft, is deze schat alleen in fictieve verhalen gevonden, door bijvoorbeeld Alfred Jodocus Kwak en Suske en Wiske, De regenboogprinses (184).
In de Bijbel (Genesis 9) is de regenboog een teken van God aan de mensheid. Na de zondvloed beloofde God nooit meer zo'n vloed te sturen om de wereld te vernietigen. Met de regenboog bevestigt God deze belofte keer op keer. In de sacrale kunst worden de sacramenten dan ook vaak met een regenboog afgebeeld.
Externe verwijzing
- [http://www.proefjes.nl/lijst.php?zoeken=regenboog proefjes over een regenboog]
Categorie:Meteorologie
Categorie:Optica
ja:虹
ko:무지개
simple:Rainbow
Children of BodomChildren of Bodom é unha banda finlandesa da cidade de Espoo, o seu estilo é unha especie de Melodic Death Metal.
A banda fundárona o guitarrista Alexi "Wildchild" Laiho e o batería Jaska Raatikainen co nome de IneartheD. No seu día sorprenderon polo seu primeiro disco Something Wild (1997) polo seu estilo anovador, o seu virtuosismo e os seus temas, a pesar de ter os compoñentes só 18 anos.
Integrantes
- Alexi "Wildchild" Laiho - Vocal, Guitarra
- Henkka Blacksmith - Baixo
- Jaska Raatikainen - Bateria
- Janne Wirman - Teclado
- Roope Latvala - Guitarra
Álbunms
- Something Wild (1997)
- Hatebreeder (1999)
- Tokyo Warhearts (en directo, 1999)
- Follow the Reaper (2001)
- Hate Crew Deathroll (2003)
Ligazóns
- [http://www.cobhc.com Web oficial (en inglés)]
ja:チルドレン・オブ・ボドム
wadysawowo pokoje hotels edinburgh uk last minute egipt Calling Cards Dorota Rabczewska
|
|
|
| :: RELATED NEWS :: |
Motî:tchamlowe
tchame 1 [f.n.]
1. (v.v.m. d' tchårlî, di cinsî, di tcheron) tchaeke des årvolowès pîces di bwès ki fjhèt l' djante des rowes di bwès, sotnowes på bindadje di fier, et ki s' astokèt so les rais. Les rowes di tchår avént shijh tchames, les cenes di berwete, cwate. Po fé ene rowe, li tchårlî fwait des rais, on On n' djouwe nén lontins al tchame (H. Forir). F. quatre coins.
2. djeu d' efant k' on court a cawêye, les mwins so les spales do ci di dvant; u a môde di codjowaedje) [v.s.c.]
1. roter raddimint. Et haydaday li ptite Liza e tchamtant djusk' al grande måjhon k' elle a rwaitî si sovint då lon (A. Henin). On dit eto: xhårer, xhaerpi. F. filer.
2. roter tot fjhant do brut. I n' aveut nén ddja oyou tchamter dins l'
|
|
Motî:cawiaesse
cawiea [o.n.]
1. grosse ronde pire. I djouwént a piter dins des cawieas. F. caillou.
2. pire, di tolminme ké cogne. Les voyes ki nos shuvéns n' estént vormint nén fwaites po des aprindisses: sovint a trôs et a trawes, télfeye covietes di cawieas ou d' broûlî (Y. Gendarme). L' moirtî tot frisse, vicant brouwea Ki dene li veye a des cawieas; Pire après pire, l' usteye al mwin, L' maçon tramteye, l' ouy sol coirdea
|
Motî:dire vos
dire vos [vierbire] atôtchî les djins k' on n' conoxhe nén avou les codjowaedjes polis (çou k' est li pus normå e walon). Avou les vijhéns, faleut dire vos (ramexhné pa J.J. Gaziaux). Nozôtes, inte sours, on s' dit vos, mins gn a des côps k' on s' dit "tminme", on côp d' astcheyance (ramexhné pa J.J. Gaziaux). On dit eto: vovweyî. rl a:
|
|